Appellant was sinds november 2012 werkzaam als schoonmaker en meldde zich op 1 mei 2013 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Zijn dienstverband eindigde in mei 2013. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen werd hij per 25 maart 2014 geschikt verklaard voor zijn laatst verrichte arbeid. Het UWV beëindigde daarop zijn ziekengelduitkering en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond.
De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellant in hoger beroep stelde dat zijn klachten ernstiger waren dan erkend, waaronder diabetes en overdag transpireren, en dat hij zelf zijn uren kon bepalen. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde om het eerdere oordeel te wijzigen.
De medische rapporten toonden aan dat ondanks klachten geen arbeidsbeperkingen bestonden die verhinderen het werk als schoonmaker uit te voeren. Ook de flexibiliteit in werktijden bood geen grond voor een ander oordeel. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees proceskosten af.