ECLI:NL:CRVB:2016:3904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks onvoldoende duidelijkheid over vermogen
Appellante ontving vanaf 2009 bijstand als alleenstaande ouder. Het college trok de bijstand in vanwege onvoldoende duidelijkheid over haar vermogen en vorderde de kosten van bijstand over de periode 2009-2012 terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij alleen de hoogte van de terugvordering in geschil was.
In hoger beroep stelde appellante dat zij door de intrekking dubbel gestraft werd en dat het college een fictieve interingsnorm van anderhalf maal de bijstandsnorm had moeten toepassen. De Raad oordeelde dat het intrekkingsbesluit onherroepelijk was en dat het college niet verplicht was een fictieve interingsnorm toe te passen. Tevens kon appellante geen dringende redenen aannemelijk maken om van terugvordering af te zien.
De Raad concludeerde dat het college de terugvordering terecht had gematigd en beperkt tot de periode van 16 oktober 2009 tot en met 30 maart 2011, met een terugvorderingsbedrag van € 25.200,63. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van € 25.200,63 en wijst het hoger beroep af.