ECLI:NL:CRVB:2016:3867

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2016
Publicatiedatum
17 oktober 2016
Zaaknummer
16/4220 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • K.J. Kraan
  • H. Lagas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:15 AwbArt. 7:1 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen verzoek om bescherming door college

Appellant heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend verzocht om bescherming tegen diffamerende uitlatingen van derden. Het college verklaarde het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op dit verzoek niet-ontvankelijk, omdat het verzoek niet kwalificeert als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het verzoek van appellant niet is te duiden als een publiekrechtelijke rechtshandeling of een aanvraag waarvoor een beschikking moet worden gegeven. Het gaat appellant erom dat het college vertrouwen in hem uitspreekt en bijdraagt aan een veilige werkomgeving.

De Raad wijst ook het standpunt van appellant af dat het beroepschrift als bezwaarschrift had moeten worden aangemerkt en doorgezonden. Het besluit van het college is geen beschikking waarop bezwaar mogelijk is, zodat de doorzendplicht van artikel 6:15 Awb Pro niet van toepassing is.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

16/4220 AW
Datum uitspraak: 13 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
21 april 2016, 15/4660 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Jaab, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 15/4940 AW, 15/4941 AW en
15/7971 AW, plaatsgevonden op 1 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jaab. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Blanken,
J.P. Verplanke en M.M.E. Ballering. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een meer uitgebreide beschrijving van de aanleiding voor de onderhavige procedure verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden met de zaaknummers 15/4940 AW,
15/4941 AW en 15/7971 AW. Hier wordt volstaan met het volgende.
1.2.
Appellant stelt dat hij door signalen van een aantal met name genoemde personen onderwerp is geweest van verscheidene integriteitsonderzoeken, op grond waarvan het college maatregelen tegen hem heeft genomen, die door de rechtbank Noord-Holland bij haar uitspraak van 5 juni 2015, 14/3253 en 15/1096, ongedaan zijn gemaakt. Desondanks wordt hij nog steeds beschadigd door diffamerende uitlatingen van twee met name genoemde derden. Bij brief van 15 juni 2015, herhaald bij brief van 26 juli 2015, heeft appellant het college verzocht om hem tegen uitlatingen van deze met name genoemde derden in bescherming te nemen. Bij brief van 1 september 2015 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek.
1.3.
Bij besluit van 10 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat het verzoek om bescherming geen aanvraag is tot het geven van een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat er ook geen bezwaar kan worden gemaakt tegen het uitblijven van die beschikking. Bovendien is het op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb sinds
1 oktober 2009 niet (meer) mogelijk bezwaar te maken tegen het niet tijdig nemen van een beschikking. Voorts heeft het college aan het (herhaalde) verzoek van appellant om bescherming invulling gegeven door middel van voortzetting van het overleg over een minnelijke regeling.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
3.1.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het verzoek van appellant niet is aan te merken als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Het verzoek om bescherming is immers niet te duiden als, dan wel te herleiden tot een door het college te nemen schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ook kan het verzoek niet worden gelijkgesteld met een verzoek tot het verrichten van een andere handeling waarbij een ambtenaar is betrokken als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Awb. Veeleer gaat het er appellant om dat het college door het uitspreken van vertrouwen in hem bijdraagt aan een veilige werkomgeving en veilige werkomstandigheden. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze wens van appellant onderwerp kan uitmaken van het overleg over de wijze waarop hij als uitvloeisel van de rechterlijke uitspraak in staat wordt gesteld zijn werkzaamheden te hervatten en over de vraag hoe gemeenschappelijke communicatie daaraan een bijdrage kan leveren.
3.2.
De Raad kan appellant voorts niet volgen in zijn stelling dat de rechtbank, indien zij van oordeel zou zijn geweest dat onterecht beroep is ingesteld tegen het besluit om het verzoek om bescherming af te wijzen, het beroepschrift op grond van artikel 6:15 van Pro de Awb als bezwaarschrift had moeten aanmerken en het door had moeten zenden aan het college. Deze stelling ziet er immers aan voorbij dat het desbetreffende deel van het besluit van
10 september 2015, zoals hiervoor is overwogen, geen beschikking is op een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Het is daarom niet vatbaar voor bezwaar en de doorzendplicht van artikel 6:15 van Pro de Awb is niet van toepassing.
4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en
H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2016.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) L.V. van Donk

HD