Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Appellant heeft vervolgens bij besluit van 14 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 januari 2015 (bestreden besluit 2), geconcludeerd dat betrokkene zich op twee relatief ondergeschikte punten schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, te weten het niet betrachten van de benodigde openheid van zaken ten aanzien van (1) het door een drietal zakenrelaties laten verrichten van werkzaamheden in het kader van de bouw van de woning van betrokkene in 2006 en (2) de reizen van betrokkene naar Zuid-Afrika en de nauwe band die hij aldaar heeft onderhouden met een zakenrelatie van de gemeente. Hieraan wordt, anders dan in het voornemen is vermeld, geen disciplinaire straf verbonden. Aan betrokkene is voorts op grond van artikel 2:1B, eerste lid, van de CAR-UWO in het belang van de dienst de functie van [naam functie 3] [module] opgedragen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene, door het in onvoldoende mate vermijden van de schijn van belangenverstrengeling, een risicofactor voor de organisatie is geworden en om die reden niet meer in zijn functie van [naam functie 1] kan worden gehandhaafd. Betrokkene is bij herhaling beschuldigd van integriteitsschendingen en is aanleiding geweest voor drie onderzoeken. De nieuwe functie is vergelijkbaar, ook wat salarisschaal betreft, met de oude functie van betrokkene en derhalve passend.