ECLI:NL:CRVB:2016:379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging buitenlandbijdrage 2009 zonder gegronde beroepsgronden
Appellant betwistte de vastgestelde buitenlandbijdrage over 2009 en stelde dat hij geen bijdrage verschuldigd was, dat zijn wachtgeld buiten beschouwing moest blijven en dat het Zorginstituut onzorgvuldig had gehandeld. De rechtbank had het beroep tegen de verlaging van de bijdrage ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe gegronde beroepsgronden aangevoerd tegen de verlaging.
De Raad benadrukt dat het eerdere besluit van 7 mei 2012, waarbij de buitenlandbijdrage was vastgesteld, in rechte vaststaat omdat daartegen geen hoger beroep is ingesteld. Het bestreden besluit betreft slechts een verlaging van die bijdrage. De Raad oordeelt dat het onderzoek naar de hoogte van de bijdrage zorgvuldig is uitgevoerd en dat de argumenten van appellant onvoldoende zijn om het besluit te vernietigen.
De Raad wijst erop dat het standpunt van appellant over het niet berekenen van buitenlandbijdrage over wachtgeld niet aannemelijk is gemaakt en dat het nalaten van een opdracht tot inhouding geen invloed heeft op de vaststelling van de bijdrage. De uitspraak bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verlaging van de buitenlandbijdrage over 2009 wordt bevestigd.