ECLI:NL:CRVB:2016:3755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde auto op naam
Appellant ontving bijstand en meldde via een vakantiemeldingsformulier een vakantieperiode, maar gaf niet aan dat hij een auto op zijn naam had gezet. Het college stelde vast dat de Audi A3 van 20 juli tot 16 november 2013 op naam van appellant stond en dat de waarde van de auto de vermogensgrens overschreed. Hierdoor werd de bijstand over de betreffende periode ingetrokken en teruggevorderd, met een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellant voerde aan dat sprake was van een leenconstructie en dat de auto niet zijn eigendom was, maar kon dit niet aannemelijk maken met verifieerbare stukken. Ook de stelling dat het geleende geld de vermogensgrens niet overschreed werd verworpen wegens gebrek aan bewijs. Nieuwe argumenten over de waarde van de auto en de boete werden niet in behandeling genomen omdat deze te laat werden ingebracht.
De Raad oordeelde dat het college terecht de waarde van de auto tot het vermogen rekende en dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het hoger beroep slaagde niet en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde auto op naam wordt bevestigd.