ECLI:NL:CRVB:2016:374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering Wajong-uitkering wegens ingezetenschap
Appellante, geboren in 1969 en van Nederlandse nationaliteit, diende in juni 2012 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering op grond dat zij op haar 17e verjaardag niet in Nederland woonde en dus geen ingezetene was. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij geen schriftelijk bewijs kon overleggen voor haar verblijf in Nederland tussen november 1986 en september 1988.
In hoger beroep stelde appellante dat zij altijd in Nederland heeft gewoond, ook gedurende de periode van uitschrijving uit de basisadministratie. De Raad oordeelde dat op basis van de feiten en omstandigheden, waaronder haar Nederlandse nationaliteit, geboorte in Nederland, en het feit dat zij in Nederland vier kinderen kreeg, niet kan worden geconcludeerd dat zij op haar 17e verjaardag geen duurzame band met Nederland had.
De Raad stelde vast dat de tijdelijke uitschrijving uit de basisadministratie niet automatisch betekent dat het ingezetenschap was beëindigd en dat er geen bewijs was van een duurzame band met een ander land. Daarom was appellante op haar 17e verjaardag ingezetene en verzekerd op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Het bestreden besluit werd vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de Wajong-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen.