Appellante was sinds 1 november 2007 werkzaam als administratief medewerkster en viel uit wegens zwangerschap gerelateerde klachten. Na beëindiging van haar dienstverband ontving zij een loongerelateerde WGA-uitkering die later werd omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Het UWV trok deze uitkering per 27 januari 2014 in vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De rechtbank stelde vast dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het UWV terecht de uitkering had beëindigd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, waaronder fibromyalgie, chronische vermoeidheid en psychische klachten, onvoldoende waren meegewogen, en dat zij niet geschikt was voor haar maatmanfunctie.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante niet waren onderschat. De arbeidsdeskundige had voldoende inzicht in de belastende aspecten van haar werk en concludeerde dat zij geschikt was voor haar maatmanfunctie. Omdat appellante geen nieuwe medische gegevens overlegde die het tegendeel bewezen, werd het hoger beroep verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.