ECLI:NL:CRVB:2016:3679
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet aannemelijk hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant diende op 29 augustus 2014 een aanvraag om bijstand in en gaf als woonadres een driekamerwoning op waar hij sinds 15 juli 2013 stond ingeschreven. Tijdens het intakegesprek verklaarde hij bij zijn tante in te wonen, zonder eigen slaapkamer, en op de bank te slapen. Het college stelde een onderzoek in vanwege het aantal ingeschreven personen in de woning en het huisbezoek op 2 oktober 2014, waarvoor appellant schriftelijk toestemming gaf.
Tijdens het huisbezoek werden weinig persoonlijke bezittingen van appellant aangetroffen, en de ruimte bood onvoldoende slaapgelegenheid. De tante verklaarde dat appellant geen sleutel had en meestal op een matras bij de kinderen sliep. Appellant gaf tegenstrijdige verklaringen over zijn slaapplaats. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant stelde hoger beroep in, stellende dat het huisbezoek onrechtmatig was en het besluit onvoldoende gemotiveerd. De Raad oordeelde dat het huisbezoek op redelijke gronden was uitgevoerd en dat het college terecht de aanvraag afwees wegens onvoldoende bewijs van het hoofdverblijf.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.