Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3676

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 oktober 2016
Publicatiedatum
5 oktober 2016
Zaaknummer
14/3376 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. Namens appellant werd het hoger beroep later ingetrokken omdat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam met het besluit van 26 april 2016 geheel aan de bezwaren van appellant was tegemoetgekomen.

Op verzoek van appellant heeft de Centrale Raad van Beroep vervolgens het college veroordeeld in de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep. Het onderzoek ter zitting is achterwege gelaten met toestemming van partijen.

De proceskosten zijn begroot op € 496,- voor verleende rechtsbijstand. Voor het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het college wenden. De uitspraak is gedaan door rechter W.F. Claessens op 4 oktober 2016.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wordt veroordeeld tot betaling van € 496,- aan proceskosten aan appellant.

Uitspraak

Datum uitspraak: 4 oktober 2016
14/3376 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2014, 14/1861 en 14/1478 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.P. Klokkers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 2 mei 2016 heeft mr. Klokkers namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat het hoger beroep is ingetrokken omdat het college met het besluit van 26 april 2016 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 496,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in hoger beroep kan appellant zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 496,-.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van N. Khachatryan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2016.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) N. Khachatryan

HD