ECLI:NL:CRVB:2016:3673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling berekening nabetaling bijstand en vertrouwensbeginsel
Appellant ontving na een gewonnen beroepszaak een nabetaling van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam voor een inkomensvoorziening en bijstand over de periode van november 2011 tot oktober 2012. De uitkeringsspecificatie toonde een netto bedrag van €5.852,66 na inhoudingen, terwijl appellant uitging van een bruto bedrag van €13.763,17 inclusief wettelijke rente.
Appellant maakte bezwaar tegen de specificatie, maar het college verklaarde dit ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde en zich beriep op het vertrouwensbeginsel, stellende dat het college hem een hoger bedrag had toegezegd.
De Raad oordeelde dat de wettelijke rente volgens vaste jurisprudentie over de brutouitkering wordt berekend en dat het college geen ondubbelzinnige toezegging had gedaan over het netto bedrag. De bijlage bij het besluit vermeldde alleen bruto bedragen, waardoor appellant ten onrechte aannam dat dit het uit te keren bedrag was.
De Raad concludeerde dat er geen sprake was van een gerechtvaardigd vertrouwen in het netto bedrag van €13.763,17 en bevestigde de eerdere uitspraak. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.