Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3652

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 oktober 2016
Publicatiedatum
4 oktober 2016
Zaaknummer
15/7748 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 AwbArt. 78z ParticipatiewetWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvraag bijstand buiten behandeling gelaten wegens onvolledige gegevensverstrekking

Appellant diende op 1 oktober 2014 een aanvraag bijstand in op grond van de WWB. Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch verzocht appellant meerdere malen om alle bankafschriften van juni tot september 2014 in te leveren en een bewijs van levensonderhoud. Hoewel appellant enkele bankafschriften overlegd heeft, voldeed hij niet aan het volledige verzoek, met name inzake zijn ING-rekeningen.

Het college stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 Awb Pro wegens onvoldoende gegevensverstrekking. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het college het recht op bijstand had kunnen beoordelen op basis van de ingediende stukken en dat hem meer tijd had moeten worden gegeven.

De Raad oordeelde dat het college terecht om alle bankafschriften vroeg voor een juiste beoordeling en dat de termijn van ruim een week om de stukken aan te leveren redelijk was. Appellant had bovendien niet om uitstel verzocht. Het college had een zwaarwegend belang bij voortvarende behandeling van aanvragen, waardoor de buitenbehandelingstelling niet disproportioneel was.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De aanvraag bijstand wordt buiten behandeling gelaten wegens het niet tijdig aanleveren van alle benodigde bankafschriften.

Uitspraak

15/7748 WWB
Datum uitspraak: 4 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
5 november 2015, 15/2054 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 22 augustus 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 1 oktober 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2.
Bij brief van 29 oktober 2014 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 5 november 2014 waarbij appellant diverse stukken diende mee te nemen, te weten alle afschriften van alle bank- en spaarrekeningen vanaf 15 juni 2014 tot en met 15 september 2014 en een controleerbaar en verifieerbaar bewijs hoe hij vanaf 1 januari 2014 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant is verschenen en heeft tijdens het gesprek verklaard dat hij een oude ING-rekening heeft, een nieuwe ING-rekening heeft geopend en een Belgische bankrekening heeft die hij niet meer gebruikt.
1.3.
Bij brief van 5 november 2014 heeft het college appellant erop gewezen dat hij niet alle gegevens had ingeleverd en aan appellant een termijn geboden om de ontbrekende gegevens vóór 12 november 2014 alsnog in te leveren. Daarbij heeft het college appellant erop gewezen dat als hij niet op tijd reageert, zijn aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Bij brief van 9 november 2014 heeft appellant alleen rekeningafschriften van de Belgische Bpost-bank en BNP Paribas Fortis ingeleverd.
1.4.
Bij besluit van 19 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag van appellant niet in behandeling genomen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant niet alle informatie heeft gegeven die nodig is om de aanvraag te beoordelen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het college op basis van de ingeleverde stukken het recht op bijstand had kunnen beoordelen. Aan appellant had bovendien een langere termijn gegeven moeten worden om de stukken in te leveren. Tevens is de buitenbehandelingstelling disproportioneel nu in bezwaar geen nadere stukken kunnen worden verstrekt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met ingang van 1 januari 2015 is de WWB ingetrokken en vervangen door de Participatiewet (PW). Op grond van het in artikel 78z, derde lid, van de PW opgenomen overgangsrecht is in dit geval de WWB het toetsingskader omdat het bestuursorgaan vóór
1 januari 2015 heeft beslist op een vóór die datum ingediende aanvraag om bijstand.
4.2.
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
4.3.
Voor een juiste beoordeling van het recht op bijstand is inzicht vereist in de financiële positie van de betrokkene in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. Het college heeft in zijn brieven van 29 oktober 2014 en 5 november 2014 aan appellant daarom op goede grond verzocht om onder meer alle afschriften van alle bankrekeningen van appellant over de periode van 15 juni 2014 tot en met 15 september 2014 in te leveren. Anders dan appellant stelt, bieden de door hem overgelegde afschriften van de Bpost-bank en de BNP Paribas Fortis en de twee brieven van de BNP Paribas Fortis onvoldoende inzage in zijn financiële positie voorafgaand aan de aanvraag. Daarvoor heeft het college inzage nodig in alle bankrekeningen van appellant, specifiek in zijn rekeningen bij de ING Bank. Niet in geschil is dat appellant aan het gerechtvaardigde verzoek van het college niet volledig gevolg heeft gegeven.
4.4.
De beroepsgrond dat het college appellant meer tijd had dienen te geven voor het inleveren van de gevraagde bankafschriften slaagt niet. Appellant heeft tot 12 november 2014 gelegenheid gekregen om de gegevens in te leveren. In het algemeen volstaat een periode van ruim een week om stukken in te leveren waarover een betrokkene geacht wordt te beschikken. Het lag op de weg van appellant om het college om uitstel te vragen indien hij meer tijd nodig had voor het verkrijgen van de bankafschriften. Daarbij komt dat het college appellant ook al bij brief van 29 oktober 2014 om deze gegevens had verzocht. Niet is niet gebleken dat appellant voor afloop van de hersteltermijn aan het college kenbaar heeft gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was de nog ontbrekende gegevens te verstrekken of dat hij om uitstel heeft verzocht.
4.5.
Anders dan appellant heeft aangevoerd betekent het feit dat hij bij een afwijzing van de aanvraag in de gelegenheid was geweest om zijn verzuim te herstellen niet dat de buitenbehandelingstelling onevenredig zwaar nadeel voor hem oplevert in verhouding tot het daarmee te dienen doel. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb en de WWB volgt dat de bevoegdheid om een aanvraag buiten behandeling te stellen onverkort geldt waar het gaat om een aanvraag om bijstand, ook wanneer de bevoegdheid tot afwijzing van de aanvraag eveneens openstaat. Het college heeft een zwaarwegend belang bij een voortvarende behandeling van aanvragen om bijstand, welk belang opweegt tegen het belang van appellant bij behandeling van een onvolledige aanvraag. Daarom heeft het college in redelijkheid gebruik kunnen maken om van de bevoegdheid tot buiten behandeling laten van de aanvraag gebruik te maken.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een beoordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2016.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) J.L. Meijer

HD