ECLI:NL:CRVB:2016:358
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag en herzieningsverzoek op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellant, geboren in 1935 in voormalig Nederlands-Indië, diende in 2000 een aanvraag in voor voorzieningen krachtens de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), welke werd afgewezen omdat hij zelf geen vervolging heeft ondergaan en niet in gezinsverband met zijn vader heeft geleefd. Diverse herzieningsverzoeken in 2003, 2004 en 2014 werden eveneens afgewezen, waarbij het laatste besluit werd gehandhaafd na bezwaar.
Een geneeskundig adviseur stelde vast dat appellant beperkingen heeft, maar dat deze niet redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven aan het overlijden van zijn vader door vervolging in oorlogstijd. De Raad beoordeelt dat appellant enkel aanspraak kan maken op gelijkstelling met de vervolgde via het overlijden van zijn vader, maar dat hiervoor onvoldoende medische onderbouwing is.
De door appellant overgelegde verklaringen van psycholoog en huisarts betreffen vooral zijn eigen oorlogservaringen en niet het overlijden van zijn vader. De Raad concludeert dat het bestreden besluit standhoudt en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn aanvraag en herzieningsverzoeken blijft gehandhaafd.