ECLI:NL:CRVB:2016:356
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over herziening vermogen en uitkering Wuv
Appellante, gelijkgesteld met een vervolgde onder de Wuv, verzocht meerdere malen om herziening van haar vermogen en uitkering. Het vermogen was in 2002 vastgesteld op €151.174,95. Verzoeken in 2009 en 2012 tot herziening werden door verweerder afgewezen. De Raad oordeelt dat verweerder onjuist heeft gehandeld door bij het verzoek uit 2012 de situatie van december 2010 als referentiepunt te nemen in plaats van het vastgestelde vermogen.
De Raad benadrukt dat op elk moment om vermogensherziening kan worden verzocht en dat steeds moet worden gekeken of het vermogen ten tijde van het verzoek is verminderd ten opzichte van het vastgestelde vermogen. Verweerder heeft dit niet correct toegepast en de besluiten missen een draagkrachtige motivering, wat strijdig is met artikel 7:12 van Pro de Awb.
De Raad draagt verweerder op de gebreken in de besluiten binnen drie maanden te herstellen. Tevens merkt de Raad op dat niet is vastgesteld dat de door appellante gestelde vermogensvermindering voldoende is onderbouwd, en dat er nog vragen zijn over de financiële situatie van haar echtgenoot en bedrijfsverlies.
Het bestreden besluit tot afwijzing van de hernieuwde vaststelling van de uitkering vloeit voort uit het niet herzien van het vermogen en vertoont dezelfde gebreken. De uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in aanwezigheid van griffier C.A.W. Zijlstra.
Uitkomst: De Raad wijst de verzoeken om herziening af en draagt verweerder op de gebreken in de besluiten te herstellen.