ECLI:NL:CRVB:2016:3528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Korpschef wijst ten onrechte medische klachten aan als beroepsziekte af
Appellant, sinds 1979 werkzaam bij de politie als sportinstructeur en later trainer, heeft progressieve degeneratieve klachten ontwikkeld, voornamelijk nekklachten, en vroeg om erkenning van deze klachten als beroepsziekte. De korpschef wees dit verzoek af omdat niet was aangetoond dat de klachten in overwegende mate door de werkzaamheden werden veroorzaakt. De rechtbank bevestigde dit standpunt, stellende dat appellant meer van zichzelf vroeg dan gevraagd en ook in privétijd intensief sportte.
In hoger beroep stelde appellant dat er wel degelijk een causaal verband bestond tussen zijn klachten en zijn werkzaamheden, ondersteund door medische verklaringen van deskundigen die een relatie legden tussen zijn fysieke werkzaamheden en de degeneratieve afwijkingen. De korpschef baseerde zijn afwijzing op een rapport van het Neuro-Orthopaedisch Centrum, waarin werd gesteld dat het niet mogelijk was om het causale verband aan te tonen, maar dat overbelasting een rol speelde.
De Raad concludeert dat de klachten in overwegende mate door de aard van de werkzaamheden zijn veroorzaakt, mede omdat schuld of onvoorzichtigheid van appellant niet is vastgesteld. De eerdere besluiten worden vernietigd, het beroep wordt gegrond verklaard en de klachten worden als beroepsziekte erkend. Tevens wordt de korpschef veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De klachten van appellant worden als beroepsziekte aangemerkt en het besluit van de korpschef wordt vernietigd.