Uitspraak
5 augustus 2015, 14/5366 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante verzocht bijzondere bijstand voor DNA-onderzoek bij haar dochter, welke door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op 10 maart 2014 werd afgewezen omdat geen sprake was van noodzakelijke bestaanskosten. Appellante maakte hiertegen bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde het niet-ontvankelijkheidsbesluit. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij het besluit van 10 maart 2014 nooit had ontvangen en pas na bemiddeling van haar gemachtigde op 23 mei 2014 een afschrift had ontvangen.
De Raad oordeelde dat het besluit op 10 maart 2014 aan appellante was verzonden en dat de bezwaartermijn op 11 maart 2014 was aangevangen. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij het besluit pas op 23 mei 2014 had ontvangen. Het bezwaarschrift, ontvangen op 6 juni 2014, was daarmee te laat ingediend. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.