ECLI:NL:CRVB:2016:340
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar tegen intrekking persoonsgebonden budget
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl om haar persoonsgebonden budget (pgb) over 2012 in te trekken en het reeds verleende bedrag terug te vorderen. Dit bezwaar werd door het college niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de wettelijke termijn. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond en oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
In hoger beroep betwistte appellante uitsluitend het oordeel over de niet-verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Zij stelde dat zij hulp had gezocht bij het indienen van het bezwaar, maar dat deze hulp onvoldoende was geweest. Ook voerde zij aan dat haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal en onbegrip van het pgb-stelsel tot verschoonbaarheid zouden moeten leiden. Het college handhaafde haar standpunt dat het bezwaar niet tijdig was ingediend.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het bezwaar inderdaad na afloop van de wettelijke termijn was ingediend en dat de enkele omstandigheden van appellante onvoldoende waren om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te beschouwen. De Raad onderschreef het oordeel en de motivering van de rechtbank en voegde toe dat het belang van appellante bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar geen reden is om het verzuim te vergoelijken.
Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.