Uitspraak
15.7752 WWB
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende een aanvraag om bijstand in en gaf een adres op waar hij zou verblijven. Het college voerde onderzoek uit, waarbij bleek dat appellant niet op dat adres stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Tevens vond een huisbezoek plaats waarbij appellant zijn woonsituatie niet aannemelijk kon maken, onder meer doordat hij zijn luchtbed niet kon tonen en weigerde kleding te laten zien.
Het college wees de aanvraag af wegens het ontbreken van bewijs van bijstandbehoevende omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het huisbezoek rechtmatig was, omdat er voldoende concrete feiten waren die twijfel opriepen over de juistheid van de woonadresgegevens.
Appellant voerde aan dat het verslag van het huisbezoek onjuist was en dat hij niet voldoende gelegenheid had gekregen om zijn nicht te bellen of zijn kleding te tonen. De Raad verwierp deze bezwaren omdat het verslag kort na het huisbezoek was opgesteld en ondertekend door de uitvoerders, en appellant onvoldoende bewijs leverde voor zijn stellingen.
De Raad concludeerde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De afwijzing van de aanvraag en de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd vanwege onvoldoende bewijs van verblijf op het opgegeven adres.