ECLI:NL:CRVB:2016:3370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsverplichtingen bij mantelzorg en medische beperkingen onder WWB
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf aan mantelzorg te verlenen aan zijn moeder en medische klachten te hebben. Het college stelde op basis van een UWV-rapport dat appellant belastbaar is voor 40 uur werk per week, beginnend met 20 uur. Appellant maakte bezwaar tegen de arbeidsverplichtingen vanwege zijn mantelzorgtaken en gezondheid, maar het college wees dit bezwaar af.
De rechtbank oordeelde dat het college het UWV-advies mocht volgen, maar dat het onvoldoende had onderzocht of mantelzorgtaken aanleiding gaven tot ontheffing. Het college liet een aanvullend medisch onderzoek doen waaruit bleek dat mantelzorg intensief was, maar dat alternatieven zoals dagopvang en pgb beschikbaar zijn. Appellant had niet aannemelijk gemaakt dat deze voorzieningen niet benut konden worden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraken en oordeelde dat appellant niet tijdig heeft onderzocht of voorzieningen mogelijk waren om de mantelzorg te verlichten. De Raad benadrukte dat mantelzorg als dringende reden voor ontheffing alleen geldt als er geen passende voorzieningen zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het besluit tot arbeidsverplichtingen bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen ontheffing krijgt van arbeidsverplichtingen vanwege beschikbare alternatieve voorzieningen voor mantelzorg.