ECLI:NL:CRVB:2016:3334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek op 25 augustus 2009. Het UWV stelde vast dat zij per 21 augustus 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor functies geselecteerd in de WIA-beoordeling. Na een nieuwe ziekmelding in 2013 en medisch onderzoek in 2014 besloot het UWV haar Ziektewetuitkering te beëindigen. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij de resterende functie van samensteller kunststof en rubberindustrie niet kon verrichten vanwege fysieke en psychische klachten, waaronder claustrofobie en mogelijke netvliesschade door diabetes.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat geen nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst nodig was. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de psychische klachten niet de geschiktheid voor de functie aantasten en dat de opleidingsvereisten passend zijn. Ook de grotere urenomvang van de functie vormt geen belemmering.
De Raad oordeelde dat appellante geschikt is voor de functie van samensteller en daarmee geen recht meer heeft op Ziektewetuitkering. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op Ziektewetuitkering omdat zij geschikt is voor ten minste één van de WIA-functies.