ECLI:NL:CRVB:2016:3282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens niet-nakomen arbeidsverplichtingen
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en was verplicht deel te nemen aan arbeidsinschakelingstrajecten. Hij nam deel aan een Fietsplan, maar stopte halverwege en was daarna onbereikbaar voor de begeleider. Het college verlaagde daarom de bijstand met 50% voor de periode april 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep stelt appellant dat hij zich vanaf half februari 2014 ziek heeft gemeld en daardoor niet kon deelnemen, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen. De Raad oordeelt dat de bewijslast voor het ontbreken van verwijtbaarheid bij appellant ligt en dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kon deelnemen.
De Raad bevestigt dat het college terecht de bijstand heeft verlaagd en dat de matiging van 100% naar 50% passend is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand met 50% bevestigd.