ECLI:NL:CRVB:2016:326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand alleenstaande ouder met ingang van juiste datum na beoordeling gezamenlijke huishouding
Appellante vroeg bijstand aan als alleenstaande ouder met ingang van 1 augustus 2012 na verhuizing naar een nieuwe gemeente. Het dagelijks bestuur weigerde dit met ingang van die datum toe te kennen omdat zij meende dat appellante tot 28 augustus 2012 een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner D.
Er werd een onderzoek ingesteld waarbij dossieronderzoek, waarnemingen en een huisbezoek plaatsvonden. Het dagelijks bestuur concludeerde op basis hiervan dat sprake was van een gezamenlijke huishouding tot 28 augustus 2012 en kende bijstand toe vanaf die datum. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat D geen hoofdverblijf had in haar woning en slechts tijdelijk verbleef. De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag boden voor het standpunt van het dagelijks bestuur. Waarnemingen waren ongespecificeerd en konden niet aantonen dat D zijn hoofdverblijf had in de woning. Verklaringen van appellante en D ondersteunden dit niet.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, herroept het besluit van 2 oktober 2012 voor zover het de weigering betreft om bijstand met ingang van 1 augustus 2012 te verlenen en bepaalt dat appellante bijstand krijgt vanaf die datum. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Appellante krijgt bijstand toegekend met ingang van 1 augustus 2012; eerdere weigering wordt vernietigd.