Appellante staakte haar werkzaamheden in 2008 wegens vermoeidheidsklachten en ontving vanaf 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering. Na een heronderzoek in 2010 en 2011 stelde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep overwoog de Centrale Raad van Beroep dat een door de Raad ingeschakelde onafhankelijke verzekeringsarts een ernstige somatoforme stoornis constateerde, maar dat de beperkingen en belastbaarheid zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2011 passend waren. Diverse medische stukken en rapporten, waaronder aanvullend onderzoek en reacties op bezwaren van appellante, werden betrokken.
De Raad volgde het oordeel van de deskundige dat er geen redenen waren om het rapport niet te volgen en dat de geselecteerde functies medisch passend waren. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.