Uitspraak
23 oktober 2013, 13/4111 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant kreeg een boete opgelegd van €343,74 omdat hij niet binnen drie maanden na een aanmaning een zorgverzekering had afgesloten. Hij maakte bezwaar met onder meer verwijzing naar geloofsovertuiging en een vermeend complot tegen hem. Het Zorginstituut verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank wees het beroep af, stellende dat appellant verplicht was verzekerd te zijn.
In hoger beroep stelde appellant dat het boetebesluit onderdeel was van een complot en dat hij geen vertrouwen had in de gezondheidszorg. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hoewel appellant niet aan de verzekeringsplicht had voldaan, het Zorginstituut had moeten onderzoeken of de overtreding hem kon worden verweten, zoals vereist in artikel 5:41 van Pro de Awb.
Omdat het Zorginstituut deze verwijtbaarheid niet had beoordeeld, was het besluit strijdig met artikel 3:2 van Pro de Awb. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het primaire besluit, waardoor de boete kwam te vervallen. Het Zorginstituut hoefde geen nieuwe beslissing te nemen en moest het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De boete wegens het niet afsluiten van een zorgverzekering wordt vernietigd vanwege het niet onderzoeken van verwijtbaarheid.