Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand en sloot een arbeidsovereenkomst voor zes maanden met een werkgever binnen een sociale werkvoorziening. Tijdens de proeftijd werd het dienstverband beëindigd vanwege onvoldoende functioneren. Het college legde daarop een maatregel op door de bijstand met 100% te verlagen, later verlaagd naar 30%, omdat appellant door zijn houding en gedrag zijn kans op bemiddeling naar ander werk zou hebben laten lopen en de inschakeling naar arbeid zou hebben belemmerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. De Raad oordeelt dat het college onvoldoende feitelijke grondslag heeft geleverd voor het standpunt dat appellant door eigen toedoen zijn arbeid niet heeft behouden. De ontslagbrief vermeldt tekortkomingen in functioneren, maar niet dat het ontslag het gevolg is van verwijtbaar gedrag. Ook het telefonische contact met een medewerker van de sociale dienst biedt onvoldoende bewijs.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en herroept het besluit van 5 november 2014. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellant. Het college moet ook het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de bijstand wordt vernietigd en het college moet de maatregel herroepen.