ECLI:NL:CRVB:2016:3154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet meer wonen op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand en woonde op een gehuurde kamer die hij tijdens een vakantie tijdelijk verliet. Na terugkeer bleek dat de huisbaas de sloten had vervangen en de kamer aan een ander had verhuurd. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 28 oktober 2014 en vorderde de kosten terug.
Appellant voerde aan dat hij zijn kamer slechts tijdelijk had verlaten en de intentie had terug te keren, onder meer door een kort geding tegen de huisbaas aan te spannen. De Raad oordeelde dat uit het niet betalen van huur, het leeg aangetroffen van de kamer en de verhuur aan derden bleek dat appellant de kamer definitief had verlaten. Het kort geding maakte zijn terugkeer niet aannemelijk.
De Raad verwierp het verweer dat appellant tijdig had geïnformeerd over zijn verblijfplaats en bevestigde dat hij zijn inlichtingenverplichting had geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand en terugvordering gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de terugvordering worden bevestigd omdat appellant niet meer op het uitkeringsadres woonde en zijn terugkeer niet aannemelijk maakte.