Appellante heeft van 1987 tot 2006 een WAO-uitkering ontvangen wegens depressieve klachten. In 2011 vroeg zij opnieuw een WAO-uitkering aan vanwege verslechterde gezondheid. Het Uwv kende deze toe met ingang van 20 april 2011, maar appellante betwistte dit omdat zij vanaf 2007 volledig arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat het Uwv het bezwaar alsnog gegrond heeft verklaard en de uitkering met ingang van 17 juni 2010 toekent. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt daarom vernietigd. De Raad beoordeelde vervolgens of sprake was van een bijzonder geval waardoor de uitkering eerder dan één jaar voor de aanvraagdatum zou ingaan.
De Raad oordeelt dat appellante niet psychisch onmachtig was om eerder een aanvraag in te dienen, mede omdat zij in 2008 zelf hoger beroep instelde tegen de beëindiging van haar eerdere WAO-uitkering. Daarom is geen sprake van een bijzonder geval en is de ingangsdatum van de WAO-uitkering correct vastgesteld op 17 juni 2010. Het beroep tegen dit besluit wordt ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelt het Uwv tot vergoeding van proceskosten aan appellante en vergoedt het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen op 26 januari 2016.