Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1981 in dienst van de gemeente Utrecht en werd beschuldigd van ernstig plichtsverzuim in verband met onjuiste handelingen bij aanbesteding en gunning van werk. Een onderzoek door Hoffmann Bedrijfsrecherche leidde tot een rapport waarin meerdere gedragingen werden vastgesteld, zoals bevoordeling van een aannemer, het doorspelen van bedrijfsgevoelige informatie, misleiding van collega’s en belangenverstrengeling.
Het college van burgemeester en wethouders legde appellant op 29 januari 2014 onvoorwaardelijk ontslag op, wat na bezwaar werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad concludeerde op basis van administratieve gegevens, verklaringen van appellant en getuigen dat de gedragingen bewezen zijn.
De Raad verwierp het verweer dat de verklaring onder druk was afgelegd en oordeelde dat het ontslag niet onevenredig is gezien de ernst van het plichtsverzuim en de integriteitsregels die appellant kende. Andere verwijten, zoals het niet volledig meewerken aan het onderzoek, werden buiten beschouwing gelaten. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.