ECLI:NL:CRVB:2016:311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar terugvordering WWB wegens overschrijding termijn
Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van de Commissie Sociale Zekerheid die terugvordering van te veel ontvangen bijstand over de jaren 2005-2007 betroffen. De commissie verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij tijdig bezwaar had gemaakt en wees het beroep af. Appellant stelde in hoger beroep dat de verhaaltermijn was verstreken en dat hij niet actief was geïnformeerd over de terugvordering, wat hem financieel zou benadelen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij tijdig bezwaar had ingediend. Ook was de stelling dat hij niets meer had vernomen niet aannemelijk, omdat de commissie meerdere pogingen tot verhaal had gedaan, waaronder acceptgirokaarten en betrokkenheid van een bewindvoerder.
De financiële situatie van appellant was niet relevant voor de ontvankelijkheid van het bezwaar. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar bevestigd.