Uitspraak
9 december 2014, 14/4226 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft de bijstand opgeschort en vervolgens ingetrokken omdat appellant niet is verschenen op meerdere oproepen voor gesprekken en niet de gevraagde gegevens heeft verstrekt.
Appellant maakte bezwaar tegen de opschorting en intrekking, maar het bezwaar tegen de opschorting werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Het bezwaar tegen de intrekking werd ongegrond verklaard. Appellant stelde in hoger beroep dat hij onvolledig was geïnformeerd en dat zijn verblijf in België wegens de ziekte van zijn dochter hem verhinderde tijdig bezwaar te maken.
De Raad oordeelde dat het college het besluit op de voorgeschreven wijze had bekendgemaakt en dat de termijn voor bezwaar maken was verstreken. De omstandigheden van appellant, waaronder zijn verblijf in België en vermeende onvoldoende zelfredzaamheid, rechtvaardigden geen uitzondering. Het college mocht de bijstand intrekken vanwege het niet verschijnen en het niet verstrekken van gevraagde gegevens. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 6 februari 2014 wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.