ECLI:NL:CRVB:2016:3043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens plichtsverzuim door verboden wapenbezit bij politiefunctionaris
Appellant, sinds 1991 in dienst van de Nationale Politie als buitengewoon [functie a], werd geconfronteerd met een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van meldingen van mishandeling, bedreiging en verboden wapenbezit door zijn familie. Tijdens een huiszoeking op 5 november 2014 werden een gaspistool met schietbeker, een schietpen en munitie aangetroffen.
De korpschef stelde appellant met onmiddellijke ingang buiten functie en legde hem op 28 januari 2015, na bezwaar, ontslag op grond van ernstig plichtsverzuim wegens het bezit van wapens categorie II en III, verboden volgens de Wet wapens en munitie. Appellant erkende het bezit van de schietpen en munitie, maar betwistte het plichtsverzuim omtrent het gaspistool, stellende dat hij dacht dat het een toegestaan alarmpistool was.
De Raad oordeelde dat appellant geacht wordt te weten dat het gaspistool verboden was en een misdrijf opleverde. De disciplinaire straf van ontslag werd als proportioneel beoordeeld, gelet op de ernst van het plichtsverzuim, de integriteitseisen binnen de politie en de langdurige periode waarin de wapens werden gehouden. Het feit dat het openbaar ministerie afzag van strafvervolging wegens een bagateldelict, deed hieraan niet af.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het ontslag gehandhaafd. De subsidiaire ontslaggrond wegens gebrek aan geschiktheid werd niet meer besproken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim door verboden wapenbezit wordt bevestigd.