ECLI:NL:CRVB:2016:2978
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitsluiting kinderbijslag wegens intrekking verblijfsvergunning tijdens tweede rechtsmiddel
Appellante, afkomstig uit Guinee, kreeg in 2010 een verblijfsvergunning op grond van mensenhandelbeleid. Deze vergunning werd in 2011 ingetrokken en haar aanvraag voor voortgezet verblijf afgewezen. Tijdens bezwaar had zij rechtmatig verblijf, maar na afwijzing van bezwaar en beroep verloor zij dit recht. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde de kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal 2014 omdat appellante geen rechtmatig verblijf meer had.
Appellante stelde dat het onderscheid tussen rechtmatig verblijf tijdens bezwaar en het ontbreken daarvan tijdens beroep onrechtvaardig was en in strijd met het EVRM, met name artikel 14 in Pro verbinding met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol. Zij voerde aan dat zij feitelijk niet werd uitgezet tijdens het beroep en dat het recht op kinderbijslag niet mocht worden ingetrokken voordat een rechter zich over de verblijfsvergunning had uitgesproken.
De Raad oordeelde dat de wetgever binnen zijn beoordelingsvrijheid het koppelingsbeginsel toepast, waarbij alleen rechtmatig verblijf tijdens het eerste rechtsmiddel wordt erkend. Het beroep op het eigendomsrecht faalde omdat de intrekking van kinderbijslag het gevolg was van gewijzigde verblijfsstatus en niet van gewijzigde wetgeving. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van kinderbijslag wordt bevestigd.