Uitspraak
mr. W.M.G. van Nieuwburg.
OVERWEGINGEN
4 augustus 2014 voldoende toegelicht.
Centrale Raad van Beroep
Appellant verzocht om een WIA-uitkering, maar het UWV stelde bij besluit van 25 maart 2014 vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een uitkering. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat het UWV bij besluit op bezwaar van 5 augustus 2014 ongegrond verklaarde, mede gebaseerd op medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond. Zij oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellant, waaronder diabetes mellitus en knieklachten, voldoende waren meegewogen. De rechtbank stelde dat appellant niet voldeed aan de criteria voor “geen duurzaam benutbare mogelijkheden” en dat zijn pijnklachten en beleving niet doorslaggevend zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid.
In hoger beroep bracht appellant dezelfde gronden naar voren, stellende dat hij vanwege zijn lichamelijke beperkingen niet in staat was tot arbeid. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De Raad concludeerde dat appellant in staat is de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de functies waarop de schatting berust, zoals toegelicht in de arbeidsdeskundige rapporten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.