ECLI:NL:CRVB:2016:2784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker, viel uit wegens fysieke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en voerde aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was en dat hij op de datum in geding meer beperkingen had dan aangenomen. Ook stelde hij dat hem een aanvullend medisch onderzoek was toegezegd. De Raad oordeelde dat de gronden in hoger beroep een herhaling waren van eerdere bezwaren die reeds uitvoerig door de rechtbank waren behandeld.
De Raad concludeerde dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant passend waren vastgesteld. De functies die het UWV als passend had aangemerkt, leidden niet tot verlies van verdienvermogen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.