ECLI:NL:CRVB:2016:2776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor maatgevende werkzaamheden
Appellante was werkzaam als huishoudelijk verzorgende en meldde zich ziek op 27 april 2009. Na het faillissement van haar werkgever werd vastgesteld dat zij vanaf 25 april 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt werd geacht voor diverse functies zoals inpakker en productiemedewerker. Na een nieuwe ziekmelding in 2012 weigerde het UWV haar ziekengeld op grond van een medisch oordeel dat zij geschikt was voor de genoemde functies.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij vanwege haar klachten niet in staat was tot arbeid, onderbouwd met een rapport van een oefentherapeut. Het UWV verwees naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die het eerdere oordeel bevestigde.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig en gemotiveerd hadden vastgesteld dat appellante geschikt was voor de maatgevende werkzaamheden. De nieuwe medische informatie was niet herleidbaar naar de datum in geding en bood geen harde contra-indicatie. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geschikt was voor de maatgevende werkzaamheden en de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.