ECLI:NL:CRVB:2016:2736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden ondanks verstandelijke beperking
Appellant ontvangt sinds juni 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Tijdens een controle in oktober 2013 werd hij werkend aangetroffen bij een autohandel, waar hij werkzaamheden verrichtte en contant werd betaald. Appellant verklaarde later dat hij geen geld verdiende en slechts het vak leerde.
Het college van burgemeester en wethouders van Rijnwaarden trok de bijstand over twee perioden in en vorderde de kosten terug, omdat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door de werkzaamheden niet te melden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn lichte verstandelijke beperking hem verhinderde om de waarheid te verklaren en dat hij niet werkte. De Raad oordeelde dat de verklaringen tijdens de controle betrouwbaar zijn en dat de overgelegde psychologische rapporten dit niet tegenspreken. Omdat appellant geen bewijs leverde van inkomsten, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden wordt bevestigd.