ECLI:NL:CRVB:2016:272

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2016
Publicatiedatum
21 januari 2016
Zaaknummer
14-6053 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 5 Verordening langdurigheidstoeslag gemeente RoosendaalArt. 36 WWBArt. 44 WWB
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing langdurigheidstoeslag wegens te late aanvraag en geen terugwerkende kracht

Appellant heeft op 13 november 2013 een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag over de jaren 2008, 2009 en 2010. Het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal wees deze aanvraag af omdat eerdere aanvragen over 2009 en 2010 reeds waren afgewezen en er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. Daarnaast was de aanvraag over 2008 te laat ingediend volgens de geldende verordening.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde het besluit voor zover het de toeslag over 2008 betrof, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat op grond van artikel 44 WWB Pro bijstand niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Het beroep over 2009 en 2010 werd ongegrond verklaard.

Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, stellende dat hij recht had op de toeslag over 2008 tot en met 2010. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat toekenning met terugwerkende kracht niet mogelijk is en dat er geen nieuwe feiten waren die een andere beslissing rechtvaardigen.

Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de langdurigheidstoeslag bevestigd wegens te late aanvraag en geen terugwerkende kracht.

Uitspraak

14/6053 WWB
Datum uitspraak: 19 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 september 2014, 14/1363 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. P. Neeleman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 13 november 2013 heeft appellant, voor zover in dit geding van belang, een langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd over de jaren 2008, 2009 en 2010.
1.2.
Bij besluit van 25 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 februari 2014 (bestreden besluit), heeft het college die aanvraag afgewezen. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant reeds eerder (herhaalde) aanvragen voor een langdurigheidstoeslag over de jaren 2009 en 2010 heeft ingediend, welke aanvragen bij besluiten van 11 juni 2010 en 29 oktober 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
19 januari 2011, zijn afgewezen, en dat (ook nu) niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aanvraag van appellant voor een langdurigheidstoeslag over 2008 is eerst nadat de termijn voor het indienen van een aanvraag voor een langdurigheidstoeslag van drie jaar na het verloop van de referteperiode, zoals bepaald in artikel 5 van Pro de Verordening langdurigheidstoeslag van de gemeente Roosendaal (Verordening), en daarmee te laat, ingediend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de langdurigheidstoeslag over 2008. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de afwijzing ten onrechte is gebaseerd op de Verordening. Op grond van artikel 44 van Pro de WWB kan echter bijstand, waaronder ook wordt verstaan een langdurigheidstoeslag, niet eerder worden toegekend dan de aanvraagdatum. Omdat de afwijzing van de langdurigheidstoeslag over 2008 op grond van de Verordening op hetzelfde neerkomt, namelijk dat appellant zijn aanvraag voor een langdurigheidstoeslag over 2008 te laat heeft ingediend en de aanvraag wel terecht is afgewezen, heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen in stand te laten. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard, omdat ten aanzien van de herhaalde aanvraag langdurigheidstoeslag over de jaren 2009 en 2010 niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand heeft gelaten en het beroep voor het overige ongegrond heeft verklaard. Daartoe heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat hij wel recht heeft op een langdurigheidstoeslag over de jaren 2008 tot en met 2010.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank zoals weergeven onder 2 en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Appellant heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat sinds de wijziging van artikel 36 van Pro de WWB per 1 juli 2013 toekenning van langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht op grond van artikel 44 van Pro de WWB niet meer mogelijk is. Appellant heeft evenmin gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. In de enkele grond dat appellant meent recht te hebben op de langdurigheidstoeslag over de jaren 2008, 2009 en 2010 ziet de Raad geen aanknopingspunten om in andere zin dan de rechtbank te oordelen.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2016.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) M.S. Spek

HD