ECLI:NL:CRVB:2016:2719
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep wijst op onvoldoende motivering bij weigering WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellante had aanvankelijk een WAO-uitkering wegens een hoge mate van arbeidsongeschiktheid, maar deze werd in 2003 beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. In 2008 meldde zij zich opnieuw ziek met spanningsklachten en kreeg zij een voorschot op een WAO-uitkering toegekend. Het UWV weigerde later definitief de uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn, en vorderde het voorschot terug.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar verstandelijke beperking en het verband met haar psychiatrische klachten. De rechtbank verklaarde haar beroepen ongegrond. In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat een door de Raad benoemde onafhankelijke deskundige concludeerde dat appellante ernstiger beperkt was dan het UWV aannam, met onder meer concentratieproblemen, verminderd inzicht en beperkingen in lezen en schrijven.
De Raad oordeelde dat het UWV de medische grondslag van het besluit onvoldoende had gemotiveerd en dat het deskundigenrapport overtuigend en zorgvuldig was. Daarom droeg de Raad het UWV op binnen zes weken het gebrek te herstellen door een nieuwe functionele mogelijkhedenlijst op te stellen en zo nodig arbeidskundig onderzoek te laten plaatsvinden, waarna het UWV opnieuw moet beoordelen of de besluiten gehandhaafd kunnen blijven.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het gebrek in de medische motivering te herstellen en een nieuwe beoordeling van de arbeidsongeschiktheid te maken.