Uitspraak
9 december 2014, 13/5544 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
1955, een pensioenoverzicht toegezonden. Hierop is vermeld dat zijn pensioenopbouw ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) is beoordeeld tot en met
19 februari 2013. Appellant is verzekerd geacht voor de AOW vanaf het begin van zijn pensioenopbouw op 27 juli 1971 tot en met 19 februari 2013, waardoor hij 84% van het AOW-pensioen heeft opgebouwd. Voorts is vermeld dat appellant zijn AOW-leeftijd bereikt op 27 juli 2021.
AOW-pensioen op rechtsgevolg is gericht en derhalve door de rechter beoordeeld moet worden.
AOW-leeftijd een mededeling is van informatieve aard die in het kader van een pensioenoverzicht niet gericht is op rechtsgevolg en daarom voor dat deel geen besluit is waartegen in rechte kan worden opgekomen. Hiermee is niet gezegd dat appellant een effectief rechtsmiddel tegen de toekomstige ingangsdatum van zijn AOW-pensioen wordt onthouden, nu hij tegen het besluit dat wordt afgegeven naar aanleiding van zijn aanvraag om een AOW-pensioen bezwaar kan maken.
AOW-pensioen. Door de inwerkingtreding van artikel 7a van de AOW op 1 januari 2013 heeft een verschuiving van de aanvankelijke aanvangsleeftijd van 15 jaar plaatsgevonden, vanaf welke leeftijd appellant onweersproken tijdvakken van verzekering had opgebouwd voor de AOW. De Raad volgt de Svb niet in zijn betoog dat ook de in het pensioenoverzicht genoemde aanvangsleeftijd als begin van de nieuwe opbouwperiode niet zou zijn gericht op rechtsgevolg, nu deze aanvangsleeftijd ontegenzeggelijk deel uitmaakt van de in 4.1.2 bedoelde rechtsvaststelling. Hieraan doet niet af dat, naar inmiddels ook is gebleken, deze aanvangsleeftijd door nieuwe wetswijzigingen kan veranderen.
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 537,20.
E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2016.