ECLI:NL:CRVB:2016:2602
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet verschijnen op oproep tijdens vakantie in het buitenland
Appellant, bijstandontvanger onder de WWB, vroeg toestemming voor een vakantie in Marokko van 13 juni tot 10 juli 2013. Deze werd geweigerd door het college, mede op advies van Inforsa en de advocaat-generaal, omdat appellant eerst moest aantonen dat hij zich aan afspraken hield in zijn re-integratietraject. Ondanks deze weigering vertrok appellant toch op vakantie en verscheen daardoor niet op een oproep voor een gesprek op 21 juni 2013.
Het college legde op grond van het niet verschijnen een verlaging van de bijstand op, waarvan de rechtbank het besluit deels vernietigde maar de rechtsgevolgen in stand liet. Appellant stelde dat de weigering onterecht was omdat het gerechtshof de weigering van de advocaat-generaal later had afgewezen en dat het college wist dat hij al op vakantie was.
De Raad oordeelde dat het plan van aanpak concreet was en gericht op herstel voorafgaand aan re-integratie, en dat het college terecht de toestemming had geweigerd omdat appellant eerst moest aantonen dat hij zich aan afspraken hield. Het niet verschijnen op de oproep was appellant volledig te verwijten. De verlaging van de bijstand was daarom rechtmatig en proportioneel. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 70% wegens niet verschijnen op oproep tijdens vakantie zonder toestemming wordt bevestigd.