ECLI:NL:CRVB:2016:2597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en is via het college aan een proefplaatsing bij een werkgever begonnen met uitzicht op een regulier contract bij goed functioneren.
Na voortgangsgesprekken stopte appellant zonder overleg met zijn jobcoach met het verrichten van werkzaamheden en verscheen niet meer bij de werkgever, waardoor de proefplaatsing werd beëindigd. Het college verlaagde daarop de bijstand met 100% voor een maand wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant verwijtbaar had gehandeld. Appellant stelde in hoger beroep dat hem niet de afgesproken montagewerkzaamheden waren aangeboden, maar de Raad verwierp dit verweer omdat appellant zonder overleg zijn werkzaamheden staakte.
De Raad bevestigde het besluit tot verlaging van de bijstand en oordeelde dat de gedraging van appellant een overtreding van artikel 9, eerste lid, WWB vormde en dat hem daarvan een verwijt kon worden gemaakt. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de bijstand wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie.