ECLI:NL:CRVB:2016:2558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel korting WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellant ontving een WW-uitkering die door het UWV met 25% werd gekort vanwege onvoldoende sollicitatieactiviteiten in de periode van 23 juli tot en met 19 augustus 2014. Appellant voerde aan dat hij niet op de hoogte was van de sollicitatieplicht en dat gezondheidsklachten vrijstelling rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende concrete en verifieerbare sollicitaties had verricht en dat hij op de hoogte was van zijn plichten, mede door eerdere waarschuwingen en verwijzingen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en stelde dat de maatregel als een straf moest worden beschouwd en getoetst aan artikel 6 EVRM Pro. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit en bevestigde dat de maatregel een reparatoir karakter heeft, bedoeld als prikkel om gedrag bij te stellen, en geen strafrechtelijke sanctie is.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende onderbouwing gaf voor het vervallen van de sollicitatieplicht wegens gezondheidsklachten en dat de eerdere overwegingen van de rechtbank juist waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de korting van 25% op de WW-uitkering wordt bevestigd.