In deze zaak stond het beroep van appellante tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Cuijk over de toekenning van hulp bij het huishouden centraal. De Raad verwees naar een eerdere tussenuitspraak waarin werd geoordeeld dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat de boodschappendienst als compensatie voor de beperkingen van appellante volstond.
Het college had in een nieuw besluit extra tijd toegekend voor wasverzorging, maar geen extra tijd voor boodschappen, omdat appellante gebruik zou kunnen maken van aangepaste communicatieapparatuur en een boodschappendienst. Appellante stelde dat zij niet in staat was een computer te bedienen en dat de extra kosten van de maaltijden- en boodschappenservice niet te dragen waren. Ook wees zij op medische omstandigheden van haar broer.
De Raad oordeelde dat het college onvoldoende had onderzocht of appellante daadwerkelijk gebruik kon maken van de boodschappendienst en dat het onduidelijk was wat met de communicatieapparatuur werd bedoeld. De Raad stelde vast dat appellante niet gecompenseerd werd voor haar beperkingen bij het doen van boodschappen en dat het college dit gebrek niet had hersteld. Voor de maaltijdenverzorging en wasverzorging oordeelde de Raad dat het college de gebreken wel voldoende had hersteld.
De Raad besloot het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk te verklaren en het beroep tegen het tweede besluit gegrond. De Raad vernietigde het besluit voor zover het de hulp bij het huishouden betreft en wees zelf een hulp bij het huishouden toe van 7 uur per week voor de periode tot 15 juli 2018 of tot een nieuw besluit op grond van de Wmo 2015. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten van appellante.