ECLI:NL:CRVB:2016:2392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek met rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor zijn eigen werk en vergelijkbare functies.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er onvoldoende bewijs was voor zwaardere beperkingen. De verzekeringsartsen concludeerden dat de klachten niet objectief onderbouwd waren en dat behandeling uitbleef.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren zonder nieuwe medische stukken te overleggen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant in staat is tot het verrichten van de maatgevende arbeid en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.