ECLI:NL:CRVB:2016:232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV dat hij geen recht meer heeft op een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na een medische beoordeling door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat er geen verslechtering was in zijn gezondheidstoestand en dat zijn belastbaarheid adequaat was weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende was. Appellant stelde in hoger beroep dat de verzekeringsartsen onvoldoende deskundig waren op het gebied van aangeboren cardiologische afwijkingen en dat er geen lichamelijk of psychisch onderzoek had plaatsgevonden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsartsen alle klachten en onderzoeksbevindingen van de behandelend cardioloog op een deugdelijke wijze hadden betrokken bij hun beoordeling. Er was voldoende kennis aanwezig om tot een volledig oordeel te komen en er was geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.