ECLI:NL:CRVB:2016:2274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking IOAZ-uitkering wegens niet verschijnen op oproepen ondanks verzoek andere klantmanager
Appellant ontving sinds 2001 een IOAZ-uitkering en werd door het college onderzocht vanwege het onderhouden van een website en handel in ansichtkaarten. Het college startte een onderzoek en nodigde appellant uit voor gesprekken, waarop appellant zonder bericht niet verscheen. Het college schortte de uitkering op en trok deze later in wegens het niet verlenen van medewerking.
Appellant maakte bezwaar en verzocht om een andere klantmanager, maar dit werd afgewezen. In hoger beroep stelde appellant dat zijn medewerking niet van belang was en dat het niet verschijnen hem niet kon worden verweten. De Raad oordeelde dat medewerking wel van belang was en dat het verzoek om een andere klantmanager geen valide reden vormde voor het verzuim.
De Raad concludeerde dat appellant verwijtbaar niet op de oproepen is verschenen en dat het college daarom bevoegd was de uitkering in te trekken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de IOAZ-uitkering wegens verwijtbaar niet verschijnen op oproepen wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.