ECLI:NL:CRVB:2016:2253
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling beëindiging maatschappelijke opvang
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verbleef vanaf november 2013 zes maanden in maatschappelijke opvang (Vluchthaven). Na afloop diende hij een verzoek tot continuering in. Het college stuurde op 4 juli 2014 een brief waarin werd medegedeeld dat de opvangperiode was verstreken en beëindigd moest worden, met een voorstel om de aanvraag als een Wmo-aanvraag te behandelen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Awb was. De rechtbank vernietigde dit besluit, oordeelde dat de brief geen zelfstandig besluit was en dat de rechtsgevolgen van het eerdere besluit tot beëindiging in stand konden blijven.
In hoger beroep betoogde appellant dat de brief wel een besluit was omdat het de opvang beëindigde. De Raad oordeelde echter dat de brief slechts een informatieve mededeling was, omdat de einddatum van de opvang al bij aanvang was vastgesteld. De brief was niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg en bevatte slechts een voorstel en aankondiging van een toekomstig besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief geen besluit is en verklaart het hoger beroep ongegrond.