Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:2250

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juni 2016
Publicatiedatum
17 juni 2016
Zaaknummer
15/31 WMO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbVreemdelingenwet 2000Wet maatschappelijke ondersteuning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling beëindiging maatschappelijke opvang

Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verbleef vanaf november 2013 zes maanden in opvang in de Vluchthaven. Na afloop van deze periode vroeg zij op 22 mei 2014 om voortzetting van de opvang. Het college stuurde op 26 juni 2014 een brief waarin werd meegedeeld dat de opvang beëindigd was en stelde voor de aanvraag aan te merken als een verzoek om maatschappelijke opvang volgens de Wmo.

Appellante maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, Awb was. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat de brief slechts een informatieve mededeling was en geen zelfstandig rechtsgevolg had.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de brief wel een besluit tot beëindiging van de opvang was en dus aanvechtbaar moest zijn. De Raad oordeelde echter dat de brief geen zelfstandig besluit was, aangezien de einddatum van de opvang bij aanvang al vaststond en de brief slechts een mededeling en voorstel bevatte. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief van 26 juni 2014 geen besluit is en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

Uitspraak

15/31 WMO
Datum uitspraak: 15 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 december 2014, 14/5781, 14/5784, 14/5740, 14/5632, 14/5628, 14/5618, 14/5449, 14/5625, 14/5452 en 14/5780 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 15/29 WMO, 15/30 WMO, 15/125 WMO en 15/146 WMO. Namens appellante is verschenen mr. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. E.T. ’t Jong. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren [in] 1953, is afkomstig uit Somalië. Appellante was gedurende de periode in dit geding van belang een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel geen aanspraak heeft op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.
1.2.
Appellante had vanaf november 2013 opvang in de Vluchthaven voor een periode van zes maanden. Op 22 mei 2014 heeft appellante een aanvraag ingediend om continuering van deze opvang. Bij brief van 26 juni 2014 heeft het college te kennen gegeven dat de periode van zes maanden inmiddels is verstreken en dat de opvang beëindigd dient te worden. Het college heeft voorgesteld om de aanvraag van 22 mei 2014 aan te merken als een aanvraag om maatschappelijke opvang in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
1.3.
Appellante heeft op 3 augustus 2014 bezwaar gemaakt tegen de brief van 26 juni 2014. Bij besluit van 19 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 26 juni 2014 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten. De rechtbank heeft voorts het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht gegeven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college in het bestreden besluit geen oordeel heeft gegeven over de beroepsgrond van appellante dat de brief van
26 juni 2014 een besluit tot beëindiging van de opvang in de Vluchthaven betrof. Om die reden moet het bestreden besluit worden vernietigd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de mededeling in de brief van 26 juni 2014 dat de opvang dient te worden beëindigd een herhaling is van een eerder genomen besluit tot beëindiging van de opvang in de Vluchthaven per 31 mei 2014. De brief is in zoverre niet op rechtsgevolg gericht en is geen besluit in de zin artikel van 1:3, eerste lid, van de Awb. Ook kan de brief niet worden opgevat als een weigering van toekomstige opvang. Het college heeft de aanvraag immers in behandeling genomen als een aanvraag om maatschappelijke ondersteuning en daarop afzonderlijk beslist. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit worden daarom in stand gelaten.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de brief van 26 juni 2014 wel is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat daarbij de maatschappelijke opvang van appellante is beëindigd. Appellante moet de beëindiging van de opvang kunnen aanvechten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante komt uitsluitend in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.
4.2.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de brief van 26 juni 2014 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In de uitspraak van
5 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4475, is geoordeeld dat het verstrekken van een toegangspas voor opvang in de Vluchthaven is aan te merken als een besluit tot het toelaten tot maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo. In het geval van appellante was bij aanvang van de opvang in de Vluchthaven al bepaald dat deze zou eindigen op 31 mei 2014. Ter zitting is gebleken dat het appellante, dan wel haar gemachtigde, bekend was dat zij bezwaar kon maken tegen deze einddatum. Omdat bij aanvang van de opvang de einddatum daarvan al vast stond, bevat de brief van 26 juni 2014 slechts een mededeling van informatieve aard en is deze niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. De brief is daarom geen besluit tot beëindiging van de opvang van appellante. Verder bevat de brief het voorstel om het verzoek om continuering van de opvang in de Vluchthaven aan te merken als een aanvraag om maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo en de aankondiging van een daarover te nemen besluit. Dit voorstel en deze aankondiging zijn evenmin op zelfstandig rechtsgevolg gericht. Wel blijkt hieruit eens te meer dat het college nog geen besluit had genomen op het verzoek om continuering van de opvang. De brief van 26 juni 2014 is daarom ook niet aan te merken als een besluit waarbij het verzoek om continuering van de opvang wordt afgewezen.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) M.S.E.S. Umans

NK