ECLI:NL:CRVB:2016:2250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling beëindiging maatschappelijke opvang
Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verbleef vanaf november 2013 zes maanden in opvang in de Vluchthaven. Na afloop van deze periode vroeg zij op 22 mei 2014 om voortzetting van de opvang. Het college stuurde op 26 juni 2014 een brief waarin werd meegedeeld dat de opvang beëindigd was en stelde voor de aanvraag aan te merken als een verzoek om maatschappelijke opvang volgens de Wmo.
Appellante maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, Awb was. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat de brief slechts een informatieve mededeling was en geen zelfstandig rechtsgevolg had.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de brief wel een besluit tot beëindiging van de opvang was en dus aanvechtbaar moest zijn. De Raad oordeelde echter dat de brief geen zelfstandig besluit was, aangezien de einddatum van de opvang bij aanvang al vaststond en de brief slechts een mededeling en voorstel bevatte. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief van 26 juni 2014 geen besluit is en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.