ECLI:NL:CRVB:2016:2248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die na het overlijden van haar echtgenoot in 1997 een nabestaandenuitkering ontving, kreeg deze per 1 maart 2014 ingetrokken omdat haar jongste kind 18 jaar werd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde dat zij alleen recht heeft op de uitkering als zij voor minstens 45% arbeidsongeschikt is. Appellante gaf aan dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt is, waarna het UWV medisch en arbeidskundig onderzoek verrichtte.
Op basis van rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen concludeerde het UWV dat appellante niet arbeidsongeschikt genoeg was. De Svb weigerde daarom de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de medische grondslag juist was en dat appellante in staat was de geselecteerde functies te vervullen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer vanwege het ontbreken van een tolk, geen huisartsinformatie, en het niet toepassen van verzekeringsgeneeskundige protocollen. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de dochter van appellante als tolk fungeerde, dat de verzekeringsarts mocht varen op eigen oordeel en dat de medische beoordeling consistent en rationeel was. Er was geen aanleiding voor een onafhankelijk deskundigenonderzoek.
De Raad bevestigde dat appellante de werkzaamheden verbonden aan de geselecteerde functies kon verrichten en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen nabestaandenuitkering ontvangt omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is.