ECLI:NL:CRVB:2016:2220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellant was tot 1 januari 2011 werkzaam als beheerder en ontving daarna wisselend een WW- en Ziektewetuitkering. Vanaf 18 september 2013 meldde hij zich ziek met knie- en psychische klachten. Het UWV stelde per 17 april 2014 vast dat appellant per 21 april 2014 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij geschikt werd geacht voor zijn laatst verrichte arbeid.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanvullend onderzoek had verricht en dat er sprake was van ernstige psychische klachten. Hij overlegde een verklaring van een psycholoog over behandeling voor recidiverende depressie. Het UWV en de rechtbank oordeelden echter dat de medische beoordeling voldoende was onderbouwd met dossierstudie, spreekuurcontacten en informatie van huisarts en behandelaars.
De Raad concludeert dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant geschikt is voor zijn functie als beheerder, die weinig fysieke en psychische belasting kent. De overgelegde psychologische verklaring bevestigt de behandeling maar toont geen ernstiger klachten dan eerder vastgesteld. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geschikt is voor zijn functie en de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.